De laaghoogte bepaalt vooral hoeveel detail je in de verticale richting ziet en hoeveel tijd een print nodig heeft. Lagere lagen maken schuine en gebogen oppervlakken doorgaans fijner, maar voegen veel meer printlagen toe. Met hogere lagen is een model sneller klaar, terwijl de laaglijnen duidelijker zichtbaar kunnen worden.
Een belangrijk verschil: een kleinere laaghoogte verbetert niet automatisch de details in het horizontale vlak. Daar speelt onder meer de diameter van de nozzle een grotere rol. Volgens de officiële Prusa-documentatie hoort de laaghoogte bovendien onder ongeveer 80% van de nozzlediameter te blijven. Bij een nozzle van 0,4 mm komt dat neer op maximaal ongeveer 0,32 mm.
Kies daarom geen extreem kleine laaghoogte uit gewoonte. Gebruik voor een praktisch onderdeel een getest printer- en materiaalprofiel en verlaag de laaghoogte vooral wanneer de vorm echt extra verticale detaillering nodig heeft. Zo vermijd je onnodig lange printtijden.
